Bewegingsziekte

Farmacotherapeutische richtlijn

Auteur: A.A.A. Verheij

Achtergronden

Bewegingsziekte kent een aantal synoniemen zoals kinetose en reisziekte. Bekende voorbeelden zijn wagen-, lucht- en zeeziekte.[1] Ook ruimteziekte is een vorm van bewegingsziekte. Bewegingsziekte bestaat uit een complex van symptomen dat kan ontstaan wanneer iemand wordt onderworpen aan bepaalde bewegingspatronen waaraan hij niet is gewend. De bekende verschijnselen zijn: misselijkheid, braken, bleekheid en sterk transpireren. Verder kunnen er nevenverschijnselen optreden zoals: geeuwen, zuchten, flatulentie, hoofdpijn, slaperigheid, ongeïnteresseerdheid en hyperventilatie. [2]
Als het lichaam aan bewegingen wordt blootgesteld waaraan het niet gewend is, ontstaat er een sensorisch conflict (zintuig-conflict-theorie). [3] De sensorische input vanuit het evenwichtsorgaan, de ogen en de spieren (propriocepsis) komen niet overeen met de standaard sensorische input, zoals die is opgeslagen in het geheugen. Bij een conflict geven de vestibulaire kernen en het cerebellum impulsen af aan het braakcentrum. Hierbij spelen acetylcholine en histamine een rol.
Hoe vaak bewegingsziekte in de open bevolking optreedt is niet bekend, slechts een zeer klein gedeelte hiervan zal voor deze klacht de huisarts bezoeken. In huisartsgeneeskundige registratiesystemen valt bewegingsziekte onder de code N29 ‘Andere symptomen/ klachten zenuwstelsel’. (De ICPC-code van reisziekten is A88.3). De incidentie en prevalentie van de gehele code zijn respectievelijk ca 0,7 en 0,9 per 1000 patiënten per jaar. [4,5]

Niet-medicamenteuze adviezen

Uit preventief oogpunt dient men hoofdbewegingen te beperken. Oriëntatie op ver verwijderde objecten heeft een gunstige invloed op de klacht. Dit wordt verklaard met de voorkennis van het te verwachten bewegingspatroon, het zelf mede beïnvloeden van het bewegingspatroon en het beperkt houden van de hoofdbewegingen, verklaren dit ervaringsfeit. Vermoeidheid en alcohol verhogen de gevoeligheid voor bewegingsziekte. Mentale activiteit en het verrichten van arbeid verminderen deze.
Adaptatie is de beste maatregel tegen bewegingsziekte. Vooral bij zeeziekte wordt hier gebruik van gemaakt. Bij zeeziekte treedt na een aantal dagen gewenning aan de bewegingen op. Het is een ervaring dat de liggende houding de acute last van bewegingsziekte zo gering mogelijk maakt. Dit liggen gaat dan wel weer ten koste van een snelle adaptatie.

Indicaties voor farmacotherapie

Farmacotherapeutische mogelijkheden

H1-RECEPTORANTAGONISTEN
Werking Deze stoffen remmen het braakcentrum. De werking begint binnen twee uur na orale inname. Cyclizine, meclozine, dimenhydrinaat (=difenhydramine) en cinnarizine werken anti-emetisch. [6]
Werkzaamheid Er is geen goed placebo-gecontroleerd onderzoek verricht bij bewegingsziekte. Dimenhydraat bleek even werkzaam als scopolamine bij bewegingsziekte. [7] De 'moderne' 2 e generatie antihistaminica (cetirizine en fexofenadine) blijken niet werkzaam te zijn bij deze indicatie. [8]
Bijwerkingen Centrale bijwerkingen (sedatie, slaperigheid en coördinatiestoornissen) en anticholinerge bijwerkingen (droge mond, accommodatiestoornissen en mictiestoornissen) komen voor. [9]
Aandachtspunten Cinnarizine is gecontraïndiceerd bij de ziekte van Parkinson en bij extrapiramidale verschijnselen in de anamnese. Bij kinderen geniet het middel geen voorkeur in verband met de verhoogde gevoeligheid van kinderen voor deze stof. Niet toepassen bij kinderen jonger dan 2 jaar.

PARASYMPATHICOLYTICA
Werking Scopolamine is het enige geregistreerde parasympathicolyticum voor de indicatie misselijkheid en/of braken (door bewegingsziekte). Het remt de prikkeloverdracht van de vestibulaire kernen en vermindert zo de prikkeling van het braakcentrum. Scopolamine is beschikbaar als pleister (TTS = transdermaal therapeutisch systeem). Een pleister werkt maximaal 3 dagen.
Werkzaamheid Een onderzoek liet een gunstig effect van scopolamine TTS zien gedurende de eerste twee dagen in vergelijking met een placebo. [10] In een ander onderzoek werd scopolamine TTS vergeleken met dimenhydrinaat. Het effect was nagenoeg gelijk. [7]
Bijwerkingen Droge mond (60%), slaperigheid, lokale huidirritatie en accommodatiestoornissen. Zelden, maar vooral bij ouderen: geheugen- en concentratiestoornissen, verwardheid en hallucinaties.
Aandachtspunten Het middel is gecontraïndiceerd beneden de 18 jaar. De pleister moet tenminste 6 uur van tevoren op een onbehaarde plek achter het oor worden geplakt. Voorzichtigheid is geboden bij prostaathypertrofie. Door pupilverwijding kan er acuut glaucoom optreden. Na aanbrengen en verwijderen handen grondig wassen; na verwijderen de huid reinigen.

Beleid

Voorlichting en uitleg omtrent ontstaan en preventie nemen een belangrijke plaats in. Adaptatie treedt na een aantal dagen op. Een volledig adequate preventie of therapie tegen reisziekte bestaat niet. Wordt er gekozen voor een medicament dan verdienen de klassieke antihistaminica de voorkeur. Slechts het relatief dure dimenhydraat is onderzocht. Verondersteld wordt dat stoffen als cinnarizine, cyclizine en meclozine even werkzaam zijn en bovendien veel goedkoper, zodat deze de voorkeur verdienen.

Doseringen:

Voor centrale bijwerkingen van de klassieke antihistaminica, zoals sedatie, moet gewaarschuwd worden.
De 2e generatie antihistaminica is niet werkzaam bij bewegingsziekte.
Scopolamine TTS is even werkzaam als dimenhydrinaat, maar is duurder.

Literatuur

  1. Eekhof JAH, Knuistingh Neven A, Verheij ThJM. Kleine kwalen in de huisartspraktijk. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg 2001. terug naar tekst
  2. Verheij AAA, Van Weert HCPM, Lubbers WJ, Van Sluisveld, Saes GAF, Eizenga WH, Boukes FS, Van Lieshout JL. NHG-Standaard Duizeligheid. Huisarts Wet 2002;45(11):601-9. terug naar tekst
  3. Fischer AJEM, Oosterveld WJ red. Duizeligheid en evenwichtsstoornissen. Uitgever etc ???1990; 275-83. terug naar tekst
  4. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Bussum: Coutinho, 1998. terug naar tekst
  5. Ong RSG, De Waal MWM. RHUH-LEO basisrapport IX: databestand 2000/2001. Leiden: LUMC Afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde, 2002. terug naar tekst
  6. Van Loenen AC (red). Farmacotherapeutisch Kompas 2004. Amstelveen: Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor Zorgverzekeraars, 2004. terug naar tekst
  7. Pyykko I, Schalen L, Jantti V. Transdermally administered scopolamine vs. dimenhydrinate. I. Effect on nausea and vertigo in experimentally induced motion sickness. Acta Otolaryngol 1985;99(5-6):588-96. terug naar tekst
  8. Cheung BS, Herkin R, Hofer KD. Failure of cetirizine and fexofenadine to prevent motion sickness. Ann Pharmacother 2003;37:173-7. terug naar tekst
  9. Nicholson AN, Stone BM, Turner C, Mills SL. Central effects of cinnarizine: restricted use in aircrew. Aviat Space Environ Med 2002;73:570-4. terug naar tekst
  10. Van Marion WF, Bongaerts MC, Christiaanse JC, Hofkamp HG, Van Ouwerkerk W. Influence of transdermal scopolamine on motion sickness during 7 days' exposure to heavy seas. Clin Pharmacol Ther 1985;38(3):301-5. terug naar tekst