Auteur: T.A.L. Polman

 

Achtergronden

Dermatitis solaris, ook wel (chronisch) polymorphe lichteruptie (PLE) of zonneallergie genoemd is een aandoening waarbij onder invloed van zonlicht erytheem en papels of blaasjes op de huid ontstaan, die heftig jeuken. Papels en vesikels kunnen gecombineerd vóórkomen, evenals plaquevorming. De klachten treden meestal op in het begin van de zomer en nemen bij gewenning geleidelijk af.
Zonneallergie komt frequent voor: bij 10-20% van de bevolking in Europa, merendeels vrouwen. In zonnige streken, rond de evenaar, komt de aandoening minder vaak voor. De eerste verschijnselen treden meestal op tussen het 20 e en 40 e levensjaar, bij mannen mogelijk wat later.
De incidentie van zonneallergie in de huisartspraktijk (als onderdeel van ICPC S88 contact eczeem/ander eczeem) wordt geschat op 3,5 per 1000 patiënten [1,2].
Zonneallergie kan zowel door UVA (320 – 400 nm), UVB (280 – 320 nm) als door zichtbaar licht (400 – 800 nm) veroorzaakt worden, soms door een combinatie van golflengten. Voor individuele patiënten kan de veroorzakende golflengte van het licht variëren, maar meestal is UV licht de oorzaak. Het exacte ontstaansmechanisme van PLE is niet geheel duidelijk. Er wordt van uitgegaan dat het een delayed type (IV) hypersensitieve immunologische reactie is waarbij de UV geïnduceerde lokale immunosuppressie gestoord is [3].
PLE moet onderscheiden worden van fotoallergische reacties, waarbij de huidreactie op zonlicht wordt geïnitieerd door het gebruik van lokale middelen op de huid (zoals cosmetica, zonnebrandmiddelen) of van orale medicatie (zoals doxycycline en andere antibiotica, diuretica en antihypertensiva). In dit stuk beperken we ons tot de meest voorkomende vorm van zonneallergie: de polymorfe lichteruptie.
Patiënten met ernstige PLE worden niet in de 1 e lijn behandeld, maar kunnen klinisch profylactisch gedesensibiliseerd worden met UVB of UVA. Narrow-band UVB (NBUVB 311 nm) en psoraleen met UVA (PUVA) zijn het meest effectief. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het foto-carcinogene effect, de kosten en de tijdsinvestering van een dergelijke preventieve behandeling [4].

 

Niet-medicamenteuze adviezen

Wij vonden geen onderzoek naar het effect van preventieve adviezen op het voorkómen van zonneallergie. In één artikel werden de zonnewerende effecten van verschillende kledingstoffen vergeleken. Een zijden blouse had hierin een zonnewerend effect overeenkomend met een SPF (Sun Protection Factor) van 280, een katoenen blouse een SPF van 56, jersey T-shirtsof een SPF van 32 en polyester blouses een SPF variërend van 5 (open weefpatroon = crêpe) tot 500 (dicht weefpatroon = satijn) [5].

 

Indicaties voor farmacotherapie

- Jeukklachten door dermatitis solaris
- Profylaxe van dermatitis solaris door zonwerende middelen

 

Farmacotherapeutische mogelijkheden

- anti-jeukmiddelen
- lokale corticosteroïden
- orale corticosteroïden
- antihistaminica
- tegen zonlicht beschermende crèmes

 

ANTI-JEUK MIDDELEN TOEPASBAAR BIJ ZONNE-ALLERGIE
Wij vonden geen onderzoek naar de werking van lokaal toegediende indifferente middelen bij PLE. Logischerwijze kan worden aangenomen dat lokale applicatie van lidocaïne (lidocaïnevaselinecreme 3% FNA) de jeuk kan verminderen wanneer er sprake is van jeuk. Wij vonden een klein onderzoek waarbij lokale applicatie van anaesthetica (lignocaïne en prilocaïne = EMLA® crème) bij 20 proefpersonen met kunstmatig opgewekte jeuk effectiever was dan placebo [6]. Ook voor de effectiviteit van vette crèmes bij PLE bestaat geen wetenschappelijke onderbouwing.
Lokale toediening van menthol (zoals mentholtalkpoeder, levomenthol 1% in carbomeerwatergel FNA of levomenthol 1% in lanettecreme) kan ook vermindering van jeukklachten kunnen geven.

 

DERMALE CORTICOSTEROIDEN
Werking Bij huidaandoeningen worden locale corticosteroïden gebruikt vanwege hun anti-inflammatoire, antiprugineuze, vasoconstrictieve en antimitotische werking, met als doel de schade die door een ontsteking ontstaat te beperken en de barrièrefunctie van de huid zo snel mogelijk te herstellen.
Werkzaamheid Wij vonden één klein placebo-gecontroleerd onderzoek bij 7 patiënten naar de werking van lokale applicatie van corticosteroïden (betamethason) bij PLE. Bij patiënten die een desensibilisatiekuur ondergingen met UVB werden kort na de expositie aan UVB de ene helft van de rug ingesmeerd met betamethason en de andere helft met de neutrale basiscreme. Een van de 7 patiënten die met een steroïd werd ingesmeerd, ontwikkelde PLE, tegenover 6 van de 7 patiënten die met placebo werden ingesmeerd [7].
Bijwerkingen Locale bijwerkingen van corticosteroïden zijn gerelateerd aan de klasse van het gekozen middel en de duur van de therapie.

 

ORALE CORTICOSTEROIDEN
Werking Orale corticosteroïden hebben een systemische ontstekingsonderdrukkende werking.
Werkzaamheid Wij vonden één klein dubbelblind placebo-gecontroleerd onderzoek naar de werking van orale toediening van prednisolon (1 dd 25 mg gedurende 7 dagen) bij 20 patiënten met PLE. Ze kregen de instructie met medicatie te beginnen wanneer de klachten opkwamen. Wanneer de gestarte medicatie na 48 uur niet hielp, moest overgegaan worden op het andere middel. Totaal 10 patiënten begonnen met medicatie; geen van de vijf patiënten die met prednisolon begonnen stapte na 48 over op placebo. De jeuk was bij hen gemiddeld na 2.8 dagen en de rash na 4.2 dagen weg. Twee patiënten die met placebo begonnen bleven dit na 48 uur ook gebruiken; bij hen duurde de jeuk gemiddeld 5.4 dagen en de rash 7.8 dagen. Van de drie patiënten die na 48 uur overstapten van placebo naar prednisolon worden geen verdere gegevens vermeld [8].
Bijwerkingen In het onderzoek gaf één van de vijf patiënten die oraal prednisolon kreeg gastrointestinale klachten en sombere stemming aan.

 

ANTIHISTAMINICA
Werking Antihistaminica verminderen symptomen die berusten op het vrijkomen van histamine zoals bij urticaria en andere dermatosen die berusten op allergie van het directe type (zoals pruritus) en zouden geen werking hebben bij immunologische reacties van het delayed type.
Werkzaamheid In een systematic review kon voor (de veelal veronderstelde) antiprurigineuze effectiviteit van antihistaminica geen onderbouwing worden gevonden [9].
Wij vonden geen onderzoek naar de werking van antihistaminica bij PLE.
Bijwerkingen De meeste antihistaminica hebben in de aanbevolen doseringen geen ernstige bijwerkingen.

 

ZONWERENDE MIDDELEN
Werking De belangrijkste stoffen die beschermen tegen UVB zijn: cinnamaten, para-aminobenzoezuur (PABA) en benzofenonen. Dibenzoylmethaanderivaten en kamferderivaten beschermen (ook) tegen UVA.
De lichtbeschermingsfactor voor UVA- en UVB-straling bedraagt 7 voor UVA en 10 voor UVB.
Vroeger werkten zonnebrandmiddelen alleen tegen UVB, tegenwoordig werken ze tegen UVA en UVB. De term sun protection factor (SPF) heeft alleen betrekking op bescherming tegen UVB en niet op die tegen UVA.
Een combinatie van avobenzon, kamfer en novantisol (Contralum Ultra ®) is geregistreerd voor huidaandoeningen met zonlichtovergevoeligheid en beschermt ook tegen UVA.
De factor die op antizonnebrandmiddelen staat vermeld, geeft weer hoe lang iemand in de zon kan blijven. Na het aanbrengen van een laag factor acht is dat acht keer zo lang als gebruikelijk. De hoeveelheid zon die de huid kan hebben, is afhankelijk van het type huid en de kracht van de zon.
In zonwerende crèmes worden ook middelen gebruikt die het zonlicht reflecteren, zoals titanium of zinkoxide.
Werkzaamheid Wij vonden één onderzoek waarbij bij 45 patiënten gedurende de zomermaanden een zonnebrandcrème (Uvistat Ultrablock ® met een SPF van 30 voor zowel UVB als UVA) mee kregen. Hun voorgeschiedenis van de afgelopen 5 jaar diende als controle. PLE werd met behulp van de zonnebrandcrème bij 90% totaal of gedeeltelijk voorkomen. Van de deelnemers vond 88% dat ze met de zonnebrandcrème de PLE minder ernstig was als in de voorgaande jaren [10].
Bijwerkingen Voor een aantal bestanddelen komt overgevoeligheid voor, soms uitgelokt door de combinatie met zonlicht. De moderne cosmetische antizonnebrandmiddelen bevatten gelijkwaardige beschermingsfactoren en veroorzaken minder allergische reacties. Door de langere tijdsduur die in de (felle) zon kan worden doorgebracht met antizonnebrandcremes met hoge factor zou juist ook weer de kans op het ontstaan van melanomen toenemen [11].

 

Beleid


Literatuur

  1. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Boek met CD-ROM. Bussum; Uitgeverij Coutinho B.V., 1998.    terug naar tekst
  2. Ong RSG, De Waal MWM. RHUH-LEO basisrapport IX: databestand 2000/2001. Leiden; LUMC Afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde, 2002.    terug naar tekst
  3. Norris PG, Morris J, McGibbon DM, Chu AC, Hawk JL. Polymorphic light eruption: an immunopathological study of evolving lesions. Br J Dermatol. 1989; 120(2): 173-83.    terug naar tekst
  4. Ling TC, Gibbs NK, Rhodes LE. Treatment of polymorphic light eruption. Photodermatol Photoimmunol Photomed. 2003; 19(5): 217-27.    terug naar tekst
  5. Robson J, Diffey BL. Textiles and sun protection. Photodermatol Photoimmunol Photomed. 1990 Feb; 7(1): 32-4.    terug naar tekst
  6. Shuttleworth D, Hill S, Marks R, et al. Relief of experimentally induced pruritus with a novel eutectic mixture of local anaesthetic agents. Br J Dermatol 1988; 119: 535040.    terug naar tekst
  7. Man I, Dawe RS, Ibbotson SH, Freguson J. Is topical steroid effective in polymorphic light eruption. Br J Dermatol. 2000; 143(suppl 157): 113.    terug naar tekst
  8. Patel DC, Bellaney GJ, Seed PT, McGregor JM, Hawk JL. Efficacy of short-course oral prednisolone in polymorphic light eruption: a randomized controlled trial. Br J Dermatol 2000; 143(4): 828-31.    terug naar tekst
  9. Klein PA, Clark RA. An evidence-based review of the efficacy of antihistamines in relieving pruritus in atopic dermatitis. Arch Dermatol 1999; 135(12): 1522-5.    terug naar tekst
  10. Proby CM, Baker CS, Morton O, Hawk JL. New broad-spectrum sunscreen for polymorphic light eruption. Lancet 1993; 341(8856): 1347-8.    terug naar tekst
  11. Autier P, Dore JF, Negrier S, Lienard D, Panizzon R, Lejeune FJ, Guggisberg D, Eggermont AM. Sunscreen use and duration of sun exposure: a double-blind, randomized trial. J Nat Cancer Inst 1999: 91:1304-9.    terug naar tekst
  12. Ossenkoppele PM, Vloten WA van, Weelden H van. Licht op foto-allergie en fototoxiciteit. Ned Tijdschr Geneeskd 1992: 1540-44.    terug naar tekst