Eindredactie H. Folmer
Deze richtlijn is voorbereid door: dr. Ch. Deckers (arts-onderzoeker), drs P.D. Knoester (ziekenhuisapotheker) en drs G.J. de Haan (neuroloog/epileptoloog).

 

INLEIDING

Epilepsie is een van de meest voorkomende chronische neurologische aandoeningen. De prevalentie is 0.65%, wat neerkomt op 100.000-120.000 patiënten in Nederland (1). Het is een aandoening met verstrekkende medische en sociale gevolgen voor de patiënt, zoals het dagelijks gebruik van medicatie en de regels ten aanzien van de rijbevoegdheid.
Met anti-epileptica worden bij slechts 70% van de epilepsiepatiënten de aanvallen volledig onderdrukt (2). De komst van de nieuwere middelen heeft hierin geen verandering gebracht (3). De overige (“therapieresistente”) patiënten houden aanvallen, die deels onderdrukt worden door medicatie.
De voornaamste indeling van epilepsie is die in symptomatische vormen, waarbij de epilepsie een symptoom is van een (veronderstelde) neurologische aandoening en in idiopathische vormen, waarbij “aanleg” en hereditaire factoren meespelen. De prognose van de idiopathische vormen is beter dan die van de symptomatische vormen. Verder is de indeling in gegeneraliseerde en lokalisatiegebonden (focale) epilepsie van belang, onder andere voor de keuze van medicatie (4).

 

BELEID

Het primaat voor de behandeling van epilepsie ligt bij de neuroloog. De huisarts zal echter regelmatig betrokken worden bij de behandeling van epilepsie, zoals bij:

  1. aanvallen van convulsies (inclusief febriele convulsie en status epilepticus);
  2. bijwerkingen van anti-epileptica;
  3. veel voorkomende problemen bij de behandeling van somatische aandoeningen bij mensen met epilepsie, onder andere geneesmiddel-interacties;
  4. vrouwen met epilepsie, in de vruchtbare leeftijd;

In de volgende hoofdstukken zullen deze aspecten behandeld worden.

Iedere patiënt met epilepsie wordt aanbevolen een SOS-hangertje bij zich te dragen met de meest noodzakelijke informatie, zoals vermelding van de aandoening (epilepsie), de gebruikte medicatie en de naam van de behandelend arts.

 

1. Hulp bij aanvallen

Een eerste insult is een ingrijpende gebeurtenis voor zowel de patiënt als zijn omgeving. Tevens is een eerste aanval relatief vaak de zwaarste of zelfs een status epilepticus.
Een convulsieve status epilepticus is een spoedeisende toestand met hoge morbiditeit (vooral gevaar van cerebrale schade). Medicamenteus ingrijpen dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden om progressie tot een refractaire status epilepticus te voorkómen. Bij convulsies die langer dan vijf minuten aanhouden is er sprake van een dreigende status epilepticus; dan is presentatie in het ziekenhuis aangewezen.

 

Medicamenteuze behandeling van een epileptisch insult :
De meeste aanvallen zullen spontaan binnen vijf minuten eindigen en hierbij is geen medicamenteuze coupering nodig. Indien een aanval echter langer duurt kan men het volgende stappenplan gebruiken.

N.B. Wanneer diazepam intramusculair wordt toegediend, wordt het niet voldoende snel in de bloedbaan opgenomen. Midazolam is het enige benzodiazepine dat geschikt is voor intramusculaire toediening (5).

 

Non-convulsieve status epilepticus
Dit is een toestand van langdurig (> 30minuten) verminderd of veranderd bewustzijn of abnormaal gedrag, berustend op persisterende epileptische activiteit (absence status of complex partiële status). Anders dan bij de convulsieve status is er géén sprake van een acute noodtoestand, maar een vlotte verwijzing naar de 2 e lijn is wel gewenst.

 

Ongecompliceerde koortsconvulsies
Voor behandeling van febriele convulsies bij kinderen wordt verwezen naar de NHG-Standaard Kinderen met koorts (M29)

 

Convulsies bij alcoholonttrekking
Alcoholonttrekking is een veel voorkomende oorzaak van situatiegerelateerde convulsies, optredend 6-48 uur na langdurige inname van grote hoeveelheden alcohol. Vaak zijn vóór de convulsies andere tekenen van onttrekking merkbaar (onrust, tremoren). Interventie: toedienen van een benzodiazepine, bijvoorbeeld diazepam 10 mg rectaal of oraal. Eventueel daarna driemaal daags 10 mg diazepam of driemaal daags 10 mg (tot max. 50 mg) chloordiazepoxide; binnen een week afbouwen. (Zie hiervoor de NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik). Is er sprake van een gegeneraliseerd insult, volg dan de aanbevelingen onder Medicamenteuze behandeling van een epileptisch insult.

 

2. Bijwerkingen van anti-epileptica (6,7)

De belangrijkste neurotoxische en systemische bijwerkingen staan per middel in tabel 1 vermeld.

 

Bijwerkingen bij start
Vooral bij het starten met een anti-epilepticum treden vaak bijwerkingen, zoals algemene malaise, sedatie en maagdarmstoornissen op. Deze bijwerkingen verminde­ren of verdwijnen bij de meeste patiënten binnen een paar weken en treden minder frequent op wanneer de begindosis laag is en langzaam naar het gewenste niveau wordt gebracht.

 

Neurotoxische bijwerkingen (bijwerkingen op het CZS)
Alle anti-epileptica kunnen dosisafhankelijke neurotoxische bijwerkingen veroorzaken: de frequentie en ernst kunnen per middel verschillen. Zo veroorzaken fenobarbital en fenytoïne doorgaans meer sedatie dan andere middelen. De meest voorkomende neurotoxische bijwerkingen zijn sedatie, coördinatieproblemen, diplopie, cognitieve functiestoornissen, duizeligheid en hoofdpijn. Verlaging van de dosering zal in de meeste gevallen de bijwerkingen doen verminderen. Het komt echter ook voor dat bijwerkingen sluipend optreden en pas duidelijk worden na chronisch gebruik; de patiënt hoeft de verschijnselen niet eens op te merken. Dit laatste geldt zeker voor bijwerkingen op de cognitieve ontwikkeling bij kinderen of voor sedatie en geheugenstoornissen bij volwassenen.

 

Specifieke bijwerkingen per middel
Anti-epileptica kunnen naast dosisafhankelijke ook dosisonafhankelijke bijwerkingen veroorzaken. Voorbeelden zijn maagdarmklachten, eetlustvermeerdering of -vermindering, haarverlies, het ontstaan van een hyponatriëmie en ernstige idiosyncratische bijwerkingen, zoals beenmergsuppressie, huidallergie (die kunnen uitmonden in dermatitis bullosa of Stevens-Johnson) of leverbeschadiging.
In verband met het risico op deze ernstige bijwerkingen worden (door de neuroloog) vóór het begin van de therapie uitgangswaarden van hemoglobine, hematocriet, trombocyten en lever- en nierfuncties bepaald. Wanneer een bepaalde waarde abnormaal is, dan kan dit de keuze van het anti-epilepticum mede beïnvloeden (8).
Een patiënt die volgens initiële screening geen verhoogd risico heeft op afwijkende laboratoriumuitslagen door het gebruik van anti-epileptica, moet geadviseerd worden om contact op te nemen wanneer bepaalde symptomen vóórkomen (zoals overgeven, algemene malaise en anorexie: kunnen op een beginnend leverfalen wijzen; langer doorbloeden of spontane bloedneuzen: kunnen op stollingsproblemen wijzen; veelvuldige infecties: kunnen op leukopenie wijzen) (9). Dit betekent dat de patiënten goed geïnstrueerd moeten worden en dat de geraadpleegde arts direct aandacht aan de gesignaleerde klachten moet geven.

 

Tabel 1.    terug naar tekst

Belangrijkste bijwerkingen van anti-epileptica (6,7)

geneesmiddel

Voornaamste bijwerkingen

acetazolamide

paresthesieën, maagdarmstoornissen, huiduitslag, nierstenen, beenmergdepressie (zeldzaam)

carbamazepine

huiduitslag en ernstige allergische reacties, hyponatriëmie, coördinatiestoornissen, misselijkheid en braken, osteomalacie (bij chronisch gebruik), beenmergsuppressie (zeldzaam)

clonazepam

typische benzodiazepine-bijwerkingen, tolerantieontwikkeling

ethosuximide

gastro-intestinale bijwerkingen, exacerbatie van aanvallen of andere aanvalstypen, lupusachtige reacties, dosisafhankelijke granulocytopenie (zeldzaam), psychose

felbamaat

gewichtsverlies, misselijkheid, slapeloosheid, aplastische anemie (zeldzaam), leverfunctiestoornissen (zeldzaam)

fenobarbital

sedatie en cognitieve bijwerkingen, coördinatiestoornissen, huiduitslag en ernstige allergische reacties, beenmergsuppressie (zeldzaam), Dupuytren’s contracturen (bij chronisch gebruik), frozen shoulder (bij chronisch gebruik), osteomalacie (bij chronisch gebruik)

fenytoïne

sedatie en cognitieve bijwerkingen, coördinatiestoornissen, huiduitslag en ernstige allergische reacties, chronische toxiciteit (lymfomen), hirsutisme, tandvleeshyperplasie (bij chronisch gebruik), beenmergsuppressie (zeldzaam), osteomalacie (bij chronisch gebruik) en cerebellaire atrofie, neuropathie (zeldzaam, bij chronisch gebruik)

gabapentine

misselijkheid, braken, de gebruikelijke CZS bijwerkingen

lamotrigine

huiduitslag, prikkelbaarheid, slapeloosheid

levetiracetam

asthenie, slaperigheid, bovenste luchtweginfecties

Oxcarbazepine

huiduitslag (minder vaak dan CBZ en 25% kruisreactie), hyponatriëmie (vaker dan CBZ)

topiramaat

paresthesieën, cognitieve bijwerkingen (zoals woordvindingsstoornis) gewichtsvermindering, nierstenen, psychose, vermoeidheid, nervositeit, anorexie

valproaat

tremor, eetlustvermeerdering, haaruitval, hepatotoxiciteit (zeldzaam), beenmergsuppressie (zeldzaam), polycysteuze ovariae (zeldzaam)

vigabatrine

psychoses, concentrische gezichtsveldbeperking: zgn. kokerzien (komt vaak voor)

 

3. Veel voorkomende problemen

Interacties (7,10).
Anti-epileptica veroorzaken frequent interacties met elkaar en met andere geneesmiddelen. Het gevolg hiervan kan zijn dat de werking van geneesmiddelen wordt veranderd of dat de kans op bijwerkingen wordt verhoogd. De meest bekende werkingsmechanismen van interacties zijn inductie (langzaam) en remming (snel) van cytochroom P450-enzymsystemen. Relevante interacties zijn weergegeven in tabel 2.

 

Tabel 2. Interacties tussen anti-epileptica en niet anti-epileptica (6,7,10)

co-medicatie anti-epilepticum interactie

alcohol

  • acuut gebruik
  • chronisch gebruik


fenytoïne
fenytoïne



verhoogde fenytoïne concentratie (3) verlaagde fenytoïne concentratie (3)

analgetica

  • dextropropoxyfeen
  • tramadol



carbamazepine carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne



verhoogde carbamazepine concentratie (1) verlaagde tramadol concentratie (2)

anti-aritmica

  • amiodaron

  • disopyramide, kinidine



fenobarbital, fenytoïne


carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne



verlaagde amiodaron concentratie (1) verhoogde fenobarbital- en fenytoïneconcentratie (1)
verlaagde anti-aritmicum concentratie (2)

antibiotica

  • chlooramfenicol

  • doxycycline
  • claritromycine
  • erytromycine
  • sulfonamiden, trimethoprim, co-trimoxazol



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne fenobarbital, fenytoïne
carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne
carbamazepine carbamazepine
fenytoïne



verlaagde chlooramfenicol concentratie (1) verhoogde fenobarbital- en fenytoïne- concentratie (1)
verlaagde doxycycline concentratie (1)

verhoogde carbamazepine concentratie (2) verhoogde carbamazepine concentratie (1) verhoogde fenytoïne concentratie (1)

antidepressiva

  • tricycl. antidepressiva, mianserine
  • fluoxetine, fluvoxamine
  • lithium



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne


carbamazepine, fenytoïne


carbamazepine



verlaagde antidepressivum concentratie (2)



verhoogde carbamazepine- en fenytoïne-concentratie (1)

verhoogde lithium concentratie (3)

antimycotica

  • itraconazol
  • ketoconazol
  • fluconazol, itraconazol, miconazol



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne
fenytoïne
fenytoïne



verminderde itraconazol concentratie (1)

verminderde ketoconazol concentratie (2) verhoogde fenytoïne concentratie (1)

antipsychotica

  • clozapine, haloperidol, risperidon



carbamazepine, fenytoïne



verlaagde antipsychoticum concentratie (2)

antiretrovirale middelen

  • proteaseremmers, nevirapine
  • ritonavir
  • zidovudine



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne, carbamazepine

lamotrigine, fenytoïne, valproaat
valproaat



verlaagde proteaseremmer concentratie (1)
verlaagde carbamazepine concentratie (1)

verlaagde lamotrigine, fenytoïne, valproaat concentratie (1)
verhoogde zidovudine concentratie (1)

benzodiazepines

  • alprazolam, midazolam, triazolam



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne



verlaagde benzodiazepine concentratie (1)

calciumantagonisten

  • dihydropyridine-antagonisten (dhp) (felodipine, nifedipine, nimodipine)
  • andere calciumantagonisten



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne




carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne



verlaagde calciumantag. concentratie (1)





verhoogde calciumantag. concentratie (2)

systemisch gebruik corticosteroïden

carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne

verlaagde corticosteroïd concentratie (2)

cumarinederivaten

fenytoïne

carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne

verhoogde fenytoïne concentratie (1)

verlaagde cumarine concentratie (1)

Foliumzuur

bij dagdosis > 5 mg

bij dagdosis > 40 mg



fenytoïne

fenytoïne



verlaagde fenytoïne concentratie (3)

verhoogde fenytoïne concentratie (3)

immunomodulantia

ciclosporine, tacrolimus



carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne



verlaagde ciclosporine concentratie (1)

maagdarmmiddelen

  • antacida
  • (es-)omeprazol



carbamazepine, gabapentine, fenobarbital, fenytoïne fenytoïne



verminderde absorptie anti-epileptica (2)

verhoogde fenytoïne concentratie (1)

methadon

carbamazepine

verlaagde methadon concentratie (1)

orale anticonceptiva (oac)

carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne

oxcarbazepine, topiramaat

lamotrigine

sterk verlaagde oac concentratie (1)


matig verlaagde oac concentratie (1)

verlaagde lamotrigine concentratie (2)

tuberculostatica

  • isoniazide
  • isoniazide + rifampicine



carbamazepine, fenytoïne

carbamazepine, fenytoïne



verhoogde carbamazepine, fenytoïne concentratie (1)

kans op hepatotoxiciteit (1)

theofylline

carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne

carbamazepine

verlaagde theofylline concentratie (2)


verlaagde carbamazepine concentratie (3)

symbolen:
(1): relevante interactie
(2): mogelijk relevante interactie
(3): in de literatuur beschreven interactie
Er is sprake van klinische relevantie indien er een gerede kans bestaat op één van de volgende nadelige klinische gevolgen voor de patiënt:

4. Speciale zorg

Epilepsie en orale anticonceptie (6,7,10,11)
Het gebruik van de hieronder genoemde enzyminducerende anti-convulsiva versnelt het metabolisme van de orale anticonceptiepil. Bij carbamazepine, fenytoïne en fenobarbital (groep 1) is dit tenminste verdubbeld, bij oxcarbazepine en topiramaat (groep 2) anderhalf maal verhoogd. Het gevolg is dat een combinatiepil met minder dan 50 mcg ethinyloestradiol onvoldoende effect kan hebben. Van de interacties met de nieuwste generatie anti-epileptica is onvoldoende bekend.
Bij groep 1 wordt geadviseerd om een 50-pil of eventueel 2 sub-50-pillen voor te schrijven, dan wel uit te zien naar alternatieve manieren van anticonceptie. De NHG-Standaard Hormonale anticonceptie adviseert om een 50-pil te kiezen waarvan ook de progestageendosering hoger is dan van de corresponderende sub 50-pil, omdat vooral de gestagene component verantwoordelijk is voor de anticonceptieve werking. Bij groep 2 is het doorgaans voldoende om een sub-50 pil voor te schrijven. Over betrouwbaarheid van anticonceptie bij gebruik van de prikpil of implantatiehormoonpreparaten zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Teratogene effecten (6,7,10,12)
De bestaande anti-epileptica hebben een bewezen teratogeen effect: 5% van de kinderen van fenytoïne-gebruiksters hebben een foetaal hydantoïne syndroom, 2-5% van de kinderen van valproaat-gebruiksters een spina bifida. Ook carbamazepine en fenobarbital zijn geassocieerd met een verhoogd risico op grote congenitale misvormingen. Het gebruik van meerdere middelen tegelijk kan leiden tot een grotere toename van de teratogene risico’s. Het is waarschijnlijk, maar niet bewezen dat profylactische foliumzuursuppletie (ten minste 0,5 mg per dag, vanaf minimaal 4 weken vóór tot minimaal 8 weken na conceptie) bij gebruik van anti-epileptica de kans op een spina bifida verlaagt. Over de teratogene risico’s van nieuwe anti-epileptica (lamotrigine, topiramaat en levetiracetam) bestaat nog onvoldoende informatie.

 

Aanvallen in en rond de zwangerschap en bevalling (11)

Ervaring heeft geleerd dat de aanvallen toenemen bij 25% van de zwangere vrouwen met epilepsie, afnemen bij 25% en ongewijzigd blijven bij 50%. Een toename van aanvallen is meestal het gevolg van veranderingenin de stofwisseling waardoor de spiegels van anti-epileptica dalen. De doseringen dienen dan door de specialist aangepast te worden. Het kan ook zijn dat de vrouw zelf de medicatie sterk gereduceerd heeft door angst voor schadelijke effecten van anti-epileptica op de zwangerschap. Ongecontroleerde aanvallen, vooral tonisch-clonische insulten, gaan gepaard met hoge morbiditeit en mortaliteit bij de vrucht en moeten daarom vermeden worden.
De bevalling dient klinisch te geschieden vanwege het risico van aanvallen tijdens de partus. Bij gebruik van enzyminducerende medicatie dient in de laatste zwangerschapsmaand profylactisch vitamine K (20 mg per dag oraal) door de specialist te worden voorgeschreven (6,7).

 

Borstvoeding (10,12)

In het algemeen hoeft er geen bezwaar te bestaan tegen het geven van borstvoeding. De baby is gedurende de hele zwangerschap blootgesteld aan anti-epileptica, die over het algemeen de placenta goed passeren. De concentratie van antiepileptica in de moedermelk varieert sterk per middel; soms is de spiegel in de melk gelijk aan de bloedspiegel (bijvoorbeeld ethosuximide en lamotrigine). Sommige anti-epileptica worden minder in de moedermelk uitgescheiden (bijvoorbeeld valproïnezuur). De periode van borstvoeding mag gezien worden als een “natuurlijke” wijze van ontwennen van medicatie bij de overgang van de intra-uteriene naar de zelfstandige situatie. Als de neonaat tekenen van intoxicatie vertoont (sufheid, slecht drinken) is er reden om een bloedspiegel te controleren teneinde stapeling van anti-epileptica bij de zuigeling uit te sluiten.


Literatuur

  1. Hauser WA, Annegers JF, Rocca WA: Descriptive epidemiology of epilepsy: contributions of population-based studies from Rochester, Minnesota. Mayo Clinic Proc 1996; 71: 576-586.    terug naar tekst
  2. Kwan P, Brodie MJ: Early identification of refractory epilepsy. N Engl J Med 2000; 342: 314-319.    terug naar tekst
  3. Deckers CLP, Meinardi H. Anti-epileptica: therapiekeuze sinds de komst van de nieuwe middelen. GeBu 2003; 37 (5):47-56.    terug naar tekst
  4. Nederlandse Vereniging voor Neurologie: Richtlijnen diagnostiek en behandeling van Epilepsie, Utrecht 2001.    terug naar tekst
  5. Rey E, Treluyer JM, Pons G: Pharmacokinetic optimisation of benzodiazepine therapy for acute seizures; focus on delivery routes. Clin Pharmacokin 1999; 36: 409-424.    terug naar tekst
  6. Toenders WGM (red). Farmacotherapeutisch Kompas 2003, Amstelveen: College voor zorgverzekeringen, 2003.    terug naar tekst
  7. Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie: Informatorium Medicamentorum. Den Haag:, 2002.    terug naar tekst
  8. Levy RH, Mattson RH, Meldrum BS, Perucca E, eds: Antiepileptic drugs. 5th ed. Philadelphia: Lippincott, Williams & Wilkins, 2002.    terug naar tekst
  9. Pellock JM, Willmore LJ: A rational guide to routine blood monitoring in patients receiving antiepileptic drugs [editorial]. Neurology 1991; 41: 961-964.    terug naar tekst
  10. Gier JJ de (red). Commentaren Medicatiebewaking Pharmacom Medicom 2002, Stichting Health Base, Houten 2002.    terug naar tekst
  11. Yerby MS: Quality of life, epilepsy advances, and the evolving role of anticonvulsants in women with epilepsy. Neurology 2000; 5 (suppl. 1): 21-31.    terug naar tekst
  12. Schaefer C (ed). Drugs during pregnancy and lactation handbook of prescription drugs and comparative risk assessment, Amsterdam: Elsevier Science, 2001.    terug naar tekst